Op dat moment nam ik een besluit.

“Op dat moment nam ik een besluit.

Ik denk dat u in mijn situatie hetzelfde zou hebben gedaan. Ik opende de deur van mijn moeders slaapkamer en liep zo zacht mogelijk om de houten vloer rond het bed niet te laten kraken. Het was snikheet in de kamer, want ze had de verwarming altijd op de hoogste stand staan en lag onder een stapel dekens te snurken. Dat ze zich niet dood zweette!

He t kwam goed uit dat ze snurkte, want dan wist ik tenminste zeker dat ze sliep en hoefde ik haar niet de hele tijd in de gaten te houden. Ik wist waar ik moest zoeken, want ze had het me een keer laten zien. In de la met de groezelige onderbroeken en bh’s, onder het kastpapier op de bodem van de la, in de rechterhoek, lag een zakje van een soort zacht leer. Ik controleerde of dit het juiste zakje was en stopte het toen bij me.

Ik propte snel een spijkerbroek, een paar T-shirts, een tandenborstel en wat ondergoed in een tas. Maandverband had ik natuurlijk niet nodig en ik vergat de bijbel mee te nemen, maar ik had ook zo veel haast, dus dat was misschien niet zo verwonderlijk, of vindt u van wel?

Ik heb me afgevraagd of het beter zou zijn gegaan als ik wel aan de Bijbel had gedacht. Misschien dat God dan dichter bij me zou zijn gebleven. Nu vond Hij me waarschijnlijk een sloddervos. Het was koud buiten, maar ik trok toch alleen mijn gympen aan, omdat ik wist dat het bij mijn aankomst warmer zou zijn. Ik was precies op tijd het huis uit en wachtte om de hoek tot mijn vader de oprit was opgereden en met de pizzadozen uitstapte. Ik geloof niet dat hij hoorde dat ik de auto pakte waarmee ik naar het busstation reed. Bij de pinautomaat haalde ik al het geld van mijn rekening, dat was negenhonderd dollar, waarna ik de sleutel van de auto, zoals we altijd deden, op het rechtervoorwiel legde, zodat mijn vader hem zou vinden. Toen kwam de bus.

Lusaka, Zambia

17 februari 2004

Langzaam, als een film die in slow motion wordt afgespeeld, loopt Ellen van de ontbijtzaal naar het businesscenter. Buiten bij de ingang klettert de regen op het asfalt. De portier staat onder het afdak te schuilen en in de verte balkt een ezel. Zoals gewoonlijk zit de Amerikaan met het tondeusekapsel op een van de banken in een motortijdschrift te lezen. Heeft hij niets anders te doen, denkt ze afwezig.

De receptioniste begroet haar vrolijk, maar de lach die op Ellens gezicht verschijnt is mechanisch, alsof iemand met geweld haar mondhoeken omhoog trekt. Het moet eruit zien als een grimas, maar de receptioniste concentreert zich alweer op een rinkelende telefoon. Gelukkig. Ellen heeft absoluut geen puf voor een kletspraatje. Ze heeft slecht geslapen, pijn in haar hoofd en is nog steeds misselijk – of zou dat door de gin van gisteravond komen? Bij het ontbijt heeft ze alleen drie glazen sap en een geroosterde boterham genomen. Haar hoofdpijn zou heel goed met het onweer te maken kunnen hebben. Ze moet naar Björn mailen om hem uit te leggen waarom ze er niet was en zien uit te vinden wanneer ze kan bellen en ongestoord met hem kan praten, het liefst thuis. Ze wil hem niet bellen als hij in de metro of midden in een vergadering zit, want het wordt een zwaar gesprek en dan moeten de omstandigheden wel meewerken.

De computer is vrij en lijkt er op vooruit te zijn gegaan, want de verbinding werkt meteen.

Ellen typt met haar wijsvingers. ‘Hoi maatje. Het spijt me dat ik niet heb teruggebeld, maar ik was een paar dagen voor het project op het platteland en daar had ik geen ontvangst. Wanneer ben je thuis of op een andere rustige plek? Ik wil je bellen om te praten. Kus en knuffel/ Ellen’

Ze stuurt een paar geruststellende zinnen naar de Junta (‘Ik beloof dat ik uitgebreid met Björn zal praten’), een paar oppervlakkige naar haar zus (‘Het onderzoek gaat goed. Gisteren tweeëndertig graden in de schaduw. Bel mamma even en zeg dat alles goed is’), en checkt dan haar mail opnieuw. Björn heeft geantwoord.

‘Ik zit nu bij de computer. Waar ben jij in godsnaam mee bezig?/ b.’”